Belle en het Beest

Belle en het Beest

Ik ben een beest,
een monster vol met haat.
Als je iets aardigs tegen mij zegt,
dan noem ik dat verraad.
En als je te dicht bij komt,
dan sla ik met mijn klauwen.
Want wie kan er ooit van een monster houden?

Ik loop, ik zit en ik wacht,
op het einde van mijn dagen.
Totdat alles ophoudt,
Het schreeuwen, stampen, klagen.
Ik ben een gevangene,
van mijn eigen huid.
Er is maar één ding dat ik wil,
er uit, er uit, ER UIT!

Toen werd er op mijn hartepoort geklopt,
doe open, doe open!
En door een kleine kier,
kwam de liefde zachtjes binnen geslopen.
Het voelde als een warme zachte streling,
maar wat kon ik anders zeggen dan, “ga weg”!
Of nee, blijf toch maar hier,
als je maar doet wat IK zeg.

Ik probeerde haar aan mij aan te passen,
ze moest worden net als ik.
Maar hoe meer ik ’t probeerde,
hoe meer ze ’t vertikt…
Ik voelde me onbeholpen
en vol met verdriet.
Ik wilde het wel,
maar Ik kon het niet.

Ga terug, zei ik, naar waar je vandaan komt,
want ik stop nu met strijden.
Ik wacht tot de dood mij halen komt,
om in het eeuwig niets te glijden.
Ik liet haar gaan,
en keek haar na tot ze verdween.
Terug naar mijn vesting,
meer dan ooit alleen.

Terwijl ik wachtte,
tot het voorbij zou zijn.
Kwam de liefde opeens
weer tevoorschijn.
Dag lief beest,
daar ben ik weer!
Laat maar, zei ik,
het is te laat, het hoeft niet meer.

Maar ik hou van jou,
Ik kan niet zonder jou!
Ik laat je niet alleen!
En de liefde, ze kroop zo door mij heen.
Vanaf toen werd alles anders,
het Beestenvel verdween.
En ik werd weer een prins,
een prins van licht.
Geen monstermasker,
maar een mensengezicht.

Matthijs 02-07-2010

Dit bericht is geplaatst in gedichten. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.